ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2796
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 35-45% na wachttijd
Appellante viel op 30 maart 1998 uit wegens vermoeidheidsklachten en kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid toegekend. Na gedeeltelijke hervatting van haar werk werd deze uitkering meerdere keren verlaagd en uiteindelijk ingetrokken per 5 juli 1999. Na een nieuwe uitval ten gevolge van dezelfde klachten kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) haar een WAO-uitkering toe van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid, na een wachttijd van vier weken.
Appellante betwistte de vastgestelde duurbeperking van 24 uur per week en stelde slechts 16 uur per week te kunnen werken. De rechtbank en de Raad concludeerden echter dat de medische gegevens, waaronder een psychodiagnostisch onderzoek, dit niet objectief onderbouwen. De arbeidsdeskundige selecteerde functies die binnen de belastbaarheid van appellante vielen, wat leidde tot een verlies aan verdiencapaciteit van ruim 41%.
De Raad overwoog dat de functies met een asterisk, ondanks afwijkingen in belastbaarheid, toch passend waren gemotiveerd door de verzekeringsarts. Appellante bracht geen tegenbewijs aan. De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en zag geen reden om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de WAO-uitkering van 35 tot 45% arbeidsongeschiktheid met een duurbeperking van 24 uur per week.