ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2760
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WAO-uitkering na whiplash en arbeidsongeschiktheid
Appellante was voltijds werkzaam als intercedente toen zij in september 1999 betrokken raakte bij een auto-ongeval met whiplashklachten. Na een korte periode van werkhervatting viel zij opnieuw uit vanwege nekklachten, hoofdpijn, duizeligheid en concentratieverlies. Een verzekeringsarts stelde in augustus 2000 vast dat zij beperkt was door deze klachten, maar arbeidsdeskundige rapporteerde dat zij geschikt was voor aangepaste functies en minder dan 15% arbeidsongeschikt.
De uitkeringsinstantie weigerde op 23 januari 2001 een WAO-uitkering toe te kennen. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name dat zij slechts 20 uur per week belastbaar zou zijn. De bezwaarverzekeringsarts onderzocht het dossier en adviseerde de bezwaren ongegrond te verklaren, waarna het besluit van 27 juni 2001 werd genomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat de medische informatie, inclusief aanvullend rapport van een medisch adviseur, geen grond biedt voor een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Subjectieve klachten van vermoeidheid en concentratieproblemen rechtvaardigen geen aanpassing van de belastbaarheid. Ook de bezwaren tegen de geselecteerde functies worden verworpen, omdat appellante geen bezwaren had tegen haar maatmanfunctie.
De Raad bevestigt het bestreden besluit en acht geen reden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De weigering van de WAO-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering aan appellante.