ECLI:NL:CRVB:2004:AQ2104

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 juli 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/194 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • R. Kooper
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen op besluit inzake opname in MD-bestand burgerambtenaar KLu

Appellant, een burgerambtenaar werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht, verzocht om opname in het Management Development (MD)-bestand. Na eerdere besluiten waarbij zijn functietoewijzing werd gewijzigd en zijn verzoeken tot toelating tot het MD-bestand en vergoeding van opleidingskosten werden afgewezen, vroeg appellant bij brief van 25 januari 2000 alsnog opname in het MD-bestand met terugwerkende kracht en bijbehorende salarisaanpassingen.

De Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten wees dit verzoek af, stellende dat een nieuwe beoordeling en potentieelinschatting nodig waren alvorens een besluit over toelating tot het MD-bestand genomen kon worden. De rechtbank oordeelde dat het verzoek van appellant moest worden gezien als een verzoek om terug te komen op het eerdere besluit, en dat de weigering daartoe redelijk was.

In hoger beroep stelde appellant dat zijn verzoek ten onrechte als verzoek tot heroverweging was opgevat en dat hij recht had op nakoming van de eerdere toezegging tot opname in het MD-bestand. De Raad oordeelde dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet bleek dat appellant door nieuwe feiten of veranderde omstandigheden gerechtvaardigd was om terug te komen op het eerdere besluit. Ook werd geoordeeld dat appellant om persoonlijke redenen geen bezwaar had gemaakt tegen het eerdere besluit, waardoor dit in rechte onaantastbaar was geworden.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij geen aanleiding werd gezien voor vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering om terug te komen op het eerdere besluit en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

03/194 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van
29 november 2002, nr. AWB 00/11160 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van appellant zijn bij brief van 19 mei 2004 enkele nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 3 juni 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. M.G. Hop, advocaat te ‘s-Gravenhage. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.H.A. Nathans, werkzaam bij het Ministerie van Defensie.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is als burgerambtenaar werkzaam bij de Koninklijke Luchtmacht (KLu). Bij besluit van 14 november 1997 is appellant tewerkgesteld in de functie van hoofd Stafsectie Verwerving, Uitbesteding en Afstoting bij de afdeling Electronische Grondsystemen. Daarbij werd onder meer aangegeven dat die verplaatsing diende te worden gezien in het licht van pre-Management Development (pre-MD) en dat ten behoeve van een wederzijdse evaluatie van de pre-MD en de besluitvorming over toelating tot het MD-programma omstreeks december 1998 een beoordeling zou worden opgemaakt.
1.2. Onder intrekking van een besluit van 19 juli 1999, waarbij appellant de functie was toegewezen van senior adviseur BDV bij de sectie Bedrijfsvoering van de Staf Tactische Luchtmacht, is appellant bij besluit van 2 september 1999 opnieuw de functie toegewezen van hoofd sectie Verwerving. In dat besluit werd aangegeven dat het besluit van 19 juli 1999 is heroverwogen in verband met het feit dat appellant bezwaren kenbaar had gemaakt tegen de daarin neergelegde functietoewijzing. Voorts werd aangegeven dat die bezwaren, alsmede het feit dat een gevalideerd inzicht in appellants MD-potentie ontbreekt, er toe leidt dat voorshands geen verdere acties worden geïnitieerd die zouden kunnen leiden tot toelating tot het MD-bestand burgerpersoneel KLu. In reactie op een brief van appellant van 5 september 1999 heeft gedaagde bij brief van 29 september 1999 medegedeeld dat de in het besluit van 2 september 1999 besloten liggende impliciete afwijzing van appellants verzoek om volledige vergoeding van de MBA/MBI-opleiding van de Rotterdam School of Management, wordt gehandhaafd.
1.3. Op 25 januari 2000 heeft appellant verzocht alsnog te worden opgenomen in het MD-bestand en hem in de situatie te brengen, die het resultaat zou zijn van een serieus voornemen van de KLu daar concreet en voortvarend invulling aan te geven. Volgens appellant houdt dat in het met terugwerkende kracht tot 19 juli 1999 toekennen van salarisschaal 13, het selecteren van een geschikte vervolgfunctie op schaal 13 niveau, het volledig honoreren van zijn deelname aan de MBA/MBI-opleiding en aanstelling in een MD-functie op schaal 14 niveau uiterlijk per 31 december 2001.
1.4. Bij besluit van 21 maart 2000 heeft gedaagde deze verzoeken afgewezen, waarbij gedaagde tevens heeft aangegeven dat over appellant opnieuw een beoordeling en potentieelinschatting kan worden opgemaakt zodra appellant zijn huidige functie 1 jaar vervult (medio juli 2000), dat indien de uitkomsten van beoordeling en potentieelinschatting en het advies van DMKLu alsdan toelating tot het MD-bestand ondersteunen, medio 2001 opnieuw een assessment kan worden afgenomen en dat alsdan op basis van de dan beschikbare gegevens een besluit over toelating tot MD zal worden genomen.
1.5. Bij het bestreden besluit van 21 augustus 2000 zijn appellants bezwaren tegen het besluit van 21 maart 2000 deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voorzover thans nog van belang, overwogen dat appellants verzoek van 25 januari 2000 moet worden beschouwd als een verzoek om terug te komen van het rechtens vaststaand besluit van 2 september 1999 en dat gedaagde in redelijkheid heeft kunnen weigeren aan dat verzoek te voldoen. Omdat de bezwaren tegen die weigering naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk zijn verklaard in plaats van ongegrond, heeft de rechtbank het bestreden besluit op dit punt vernietigd en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bezwaar ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep is door appellant gesteld dat zijn verzoek van 25 januari 2000 ten onrechte is opgevat als een verzoek tot heroverweging van het besluit van 2 september 1999 en niet als een verzoek om nakoming van de toezegging, zoals neergelegd in de brief van 14 november 1997, namelijk opneming in het MD-bestand, indien aan de in die brief gestelde voorwaarden was voldaan. Maar ook indien het wel slechts een verzoek tot heroverweging zou zijn, kon een inhoudelijke heroverweging naar de mening van appellant niet achterwege blijven.
3.2. De Raad kan appellant hierin niet volgen. Nog daargelaten dat de Raad in de brief van 14 november 1997 niet kan lezen dat appellant, na het volgen van een relevante opleiding en indien er een goede beoordeling en potentieelinschatting voorlag, zonder meer zou worden toegelaten tot het MD-bestand, volgt uit het besluit van 2 september 1999, zeker bezien in samenhang met de brief van 29 september 1999, onmiskenbaar dat gedaagde op dat moment ervan afzag met appellant het MD-traject in te gaan en dat volledige vergoeding voor de MBA/MBI-opleiding werd afgewezen. De Raad onder-schrijft derhalve het standpunt van de rechtbank dat appellants verzoek van 25 januari 2000 moet worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 2 september 1999.
4.1. Van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, mag worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
4.2. Appellant heeft aangevoerd dat het feit dat hij in januari 2000 de toezegging had dat hij voor gedeeltelijke vergoeding van de MBA/MBI-opleiding in aanmerking kwam, als nieuw feit moet worden aangemerkt. Daarmee viel, aldus appellant, een psychologische dwang weg, die hem ervan had weerhouden gedaagde eerder om nakoming van de gestelde toezegging tot opneming in het MD-bestand te vragen. Om dezelfde reden zou appellant ook geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 2 september 1999.
4.3. Dienaangaande overweegt de Raad dat de stukken en het verhandelde ter zitting geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat appellant, objectief bezien, van het maken van bezwaar is weerhouden. Dat appellant om hem moverende redenen tegen het besluit van 2 september 1999 geen bezwaarschrift heeft ingediend, waardoor dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, dient voor zijn rekening te blijven. Ook overigens ziet de Raad in de positieve beslissing ten aanzien van de vergoeding van opleidingskosten geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid in de hiervoor onder 4.1. omschreven zin. Hiervan uitgaande, kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren terug te komen van het besluit van 2 september 1999.
4.4. In hetgeen appellant overigens nog heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de overige onderdelen van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Zoals uit 3.2. kan worden afgeleid, onderschrijft de Raad niet het standpunt van appellant dat bij hem het vertrouwen is gewekt dat appellant in het MD-bestand zou worden opgenomen. Derhalve kan niet worden gezegd dat gedaagde dat vertrouwen heeft geschonden en dat hij op grond daarvan gehouden zou zijn appellant toch in het MD-bestand op te nemen.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. R. Kooper en
mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
5.07