ECLI:NL:CRVB:2004:AP9185

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/2456 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing over geschiktheid voor arbeid en beëindiging Ziektewetuitkering

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2000 waarin werd vastgesteld dat hij per 11 juli 2000 niet langer recht had op een uitkering krachtens de Ziektewet, omdat hij geschikt zou zijn voor zijn arbeid. De rechtbank Utrecht had dit besluit eerder in stand gelaten, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad heeft overwogen dat het bestreden besluit gebaseerd is op een zorgvuldige beoordeling van de medische gegevens, waaronder ook reacties van bezwaarverzekeringsartsen die stelden dat psychische klachten reeds bestonden maar geen psychiatrische problematiek vormden op de datum in geding. Nieuwere medische stukken betreffen data na 11 juli 2000 en kunnen het oordeel over de belastbaarheid op die datum niet wijzigen.

De Raad acht nader onderzoek door een psychiater niet nodig en concludeert dat er voldoende medische gegevens beschikbaar zijn om het besluit te handhaven. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, waarmee het bezwaar ongegrond blijft en de Ziektewetuitkering wordt beëindigd per genoemde datum.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant sinds 11 juli 2000 geschikt is voor zijn arbeid en geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/2456 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is, op in een aanvullend beroepschrift met bijlagen vermelde gronden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 29 maart 2002 (rechtbank nummer SBR 01/948).
Door gedaagde zijn een verweerschrift en twee nadere stukken ingediend.
Namens appellant is een gedingstuk ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. A.M. Bruin, advocaat te Amersfoort, en waar gedaagde is verschenen bij G.J. Samson, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank het door appellant bestreden besluit van 9 april 2001, waarin zijn bezwaar tegen het besluit van 4 augustus 2000 ongegrond is verklaard, terecht in stand heeft gelaten. In het bestreden besluit is bepaald dat appellant met ingang van 11 juli 2000 geen recht (meer) heeft op een uitkering krachtens de Ziektewet (ZW). Dit besluit is gebaseerd op het oordeel van gedaagde dat hij per die datum geschikt is voor 'zijn arbeid' als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW, te weten de hem bij een eerdere beoordeling in het kader van de Wet op de Arbeidsonge- schiktheidsverzekering (WAO) in juli 1995 voorgehouden functies.
De Raad overweegt het volgende.
Namens appellant is in hoger beroep -evenals in eerste aanleg- aangevoerd dat bij het bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met en onvoldoende onderzoek is gedaan naar de lichamelijke en psychische klachten van appellant.
Op grond van de beschikbare gegevens is de Raad met de rechtbank, op door de rechtbank in de aangevallen uitspraak vermelde gronden, en onder toevoeging van het navolgende van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten zijn om te oordelen dat gedaagde bij het bestreden besluit de medische beperkingen van appellant zou hebben onderschat.
Hieraan doet niet af de inhoud van de in hoger beroep namens appellant ingediende stukken, te weten:
- de brief d.d. 4 oktober 2001 van de appellant behandelend KNO-arts J.G. Mol, waarin is vermeld dat deze arts geen relevante afwijkingen heeft gevonden ten aanzien van het gehoor- en evenwichtssysteem en dat geen duidelijke oorzaak is gevonden voor de duizeligheidsklachten van appellant;
- het (intake)verslag PTZ d.d. 20 februari 2001 van N. van Doorn waarin als diagnose is vermeld: "aanpassingsstoornis met gemengde angstige en depr. stemming"; en
- de brief van 24 november 2003, van de orthopedisch chirurg J.B. van Lent, die appellant voor het eerst heeft gezien op
13 januari 2003 en toen een duidelijk beperkte en pijnlijke polsfunctie constateerde, die de schouderklachten met succes heeft behandeld, en na (röntgen)onderzoek geen objectiveerbare afwijkingen aan de lumbale wervelkolom en/of de rug kon vaststellen.
Gelet op het feit dat de laatste twee stukken betrekking hebben op de gezondheidstoestand van appellant op data gelegen na de datum in geding, en mede gelet op de in hoger beroep door gedaagde ingediende reacties d.d. 26 juni 2002 en 31 juli 2002 van de betrokken bezwaarverzekeringsartsen, waarin onder andere is vermeld dat de psychische klachten van appellant ook al bestonden ten tijde van de voorbereiding van het bestreden besluit, en dat er toen geen sprake was van psychiatrische problematiek, is de Raad van oordeel dat voormelde stukken niet kunnen leiden tot het oordeel dat gedaagde de belastbaarheid van appellant op de datum in geding, 11 juli 2000 heeft overschat.
De Raad is van oordeel dat gedaagde voldoende onderzoek heeft gedaan naar de (geestelijke) gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en dat voldoende medische gegevens beschikbaar zijn. De Raad acht nader onderzoek door een psychiater, zoals namens appellant is verzocht, dan ook niet nodig.
Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004.
(get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.