ECLI:NL:CRVB:2004:AP8459
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake herziening WAO-uitkering en invordering teruggevorderd bedrag
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen besluiten van het UWV waarbij zijn WAO-uitkering over de periode 1 december 1999 tot 1 juli 2002 is herzien van 80-100% arbeidsongeschiktheid naar 45-55%, en later naar 65-80%. Het UWV heeft onverschuldigd betaalde bedragen teruggevorderd en verrekent deze met maandelijkse bedragen van €800.
De voorzieningenrechter overweegt dat er een lopende beroepsprocedure bij de rechtbank 's-Hertogenbosch is tegen de besluiten op bezwaar. Gezien het ontbreken van de vereiste samenhang tussen het verzoek om voorlopige voorziening en het bodemgeschil, kan het verzoek niet worden ingewilligd.
Verzoeker wordt geadviseerd zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank te wenden voor zijn verzoek. De voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter M.C. Bruning op 17 juni 2004, waarbij het verzoek om toepassing van artikel 8:81 Awb Pro wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening om af te zien van invordering van het teruggevorderde bedrag wordt afgewezen.