ECLI:NL:CRVB:2004:AP2720
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens schending inlichtingenplicht
De zaak betreft de terugvordering van teveel betaalde WAO-uitkeringen aan betrokkene over de periode van 1 november 1992 tot 1 september 1994, vanwege vermeende schending van de inlichtingenplicht. Het UWV had de uitkering herberekend op basis van de mate van arbeidsongeschiktheid en inkomsten uit arbeid, waarbij een fiscale constructie werd aangemerkt als poging om anticumulatie te ontlopen.
De rechtbank had de terugvordering vernietigd omdat zij oordeelde dat het UWV niet bevoegd was tot terugvordering over de aangehouden periode, mede vanwege kennis van de verzekeringsarts over de werkzaamheden en inkomsten van betrokkene. De Centrale Raad van Beroep volgt dit oordeel niet en stelt dat het UWV wel bevoegd was tot terugvordering met toepassing van artikel 57, eerste lid, onder a, van de WAO.
De Raad oordeelt dat betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet onverwijld alle relevante feiten te melden, mede gelet op zijn eigen verklaringen en de fiscale constructie via zijn BV. De terugvordering is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het eerdere vonnis van de rechtbank wordt vernietigd voor zover het de terugvordering betrof.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep van betrokkene ongegrond en bevestigt de terugvordering van de teveel betaalde WAO-uitkering.