ECLI:NL:CRVB:2004:AP2632

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/1080 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 26, eerste lid, aanhef en onder b, BeroepswetAlgemene wet bestuursrecht Art. 8:59
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak wegens schending hoor en wederhoor en terugverwijzing naar rechtbank

De zaak betreft een hoger beroep van de Staatssecretaris van Financiën tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage waarin het beroep tegen een besluit van 11 januari 2000 ongegrond werd verklaard. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), als gedaagde, had schriftelijk medegedeeld niet te zullen verschijnen bij de zitting van de rechtbank.

Desondanks heeft de griffier van de rechtbank telefonisch contact opgenomen met gedaagde en dringend verzocht zich alsnog te laten vertegenwoordigen, wat gedaagde heeft gedaan. Appellant, de Staatssecretaris, is echter niet geïnformeerd over deze telefonische oproep en het feit dat gedaagde alsnog aanwezig was.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat hierdoor het recht op hoor en wederhoor is geschonden, aangezien appellant niet in gelijke mate zijn belangen kon behartigen. Dit vormt een inbreuk op de eisen van een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM Pro. De Raad vernietigt daarom de uitspraak en verwijst de zaak terug naar de rechtbank 's-Gravenhage voor verdere behandeling.

Uitkomst: De uitspraak wordt vernietigd wegens schending van het beginsel van hoor en wederhoor en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.

Uitspraak

02/1080 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Staatssecretaris van Financiën, appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift van 22 maart 2002 aangevoerde gronden bij de Raad in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank 's-Gravenhage onder dagtekening 14 januari 2002, nummer 00/1618, tussen partijen gewezen uitspraak, waarbij het door appellant ingestelde beroep tegen het bestreden besluit van 11 januari 2000, ongegrond is verklaard.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 28 april 2004, waar namens appellant is verschenen mr. B.A. Frijlink, werkzaam bij het Ministerie van Financiën, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.E.C. Veugen, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad ziet aanleiding om eerst in te gaan op hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot de procedure bij de rechtbank. Daartoe is gesteld dat appellant niet ter zitting is verschenen naar aanleiding van de eerdere mededeling van gedaagde niet te zullen verschijnen. Betoogd is dat gehandeld is in strijd met de beginselen van de goede procesorde, nu appellant gebleken is dat gedaagde zich op telefonisch verzoek van de rechtbank alsnog ter zitting heeft doen vertegenwoordigen en appellant hiervan niet op de hoogte is gesteld.
De Raad begrijpt appellant aldus, dat hij betoogt dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. De Raad kan appellant hierin volgen en overweegt daartoe als volgt.
Gedaagde heeft de rechtbank schriftelijk medegedeeld niet ter zitting te zullen verschijnen. Naar aanleiding van deze mededeling heeft de griffier van de rechtbank met gedaagde telefonisch contact opgenomen. Gedaagde is hierbij dringend verzocht zich ter zitting te laten vertegenwoordigen in verband met het geven van inlichtingen, en heeft hieraan gehoor gegeven. Appellant is van deze telefonische oproep door de rechtbank niet in kennis gesteld.
De Raad stelt vast dat appellant door de rechtbank niet in staat is gesteld zijn belangen in gelijke mate ter zitting te behartigen als gedaagde. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank hiermee het recht op hoor en wederhoor geschonden en is derhalve sprake van een inbreuk op de uit artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden voortvloeiende elementaire eisen van een eerlijk proces.
Reeds op grond van het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. De Raad ziet hierin aanleiding hetgeen overigens door appellant is aangevoerd buiten beschouwing te laten. De Raad acht termen aanwezig om het geding met toepassing van artikel 26, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet terug te verwijzen naar de rechtbank.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank 's-Gravenhage.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.C. Stam en mr. K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2004.
(get.) G. van der Wiel
(get.) A. Kovács