ECLI:NL:CRVB:2004:AP1892
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaren correctienota’s en ongegrondverklaring bezwaren boetenota’s sociale verzekeringswetten
De zaak betreft bezwaren van een werkgever tegen correctienota’s en boetenota’s opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over de jaren 1993 tot en met 1997. De correctienota’s betreffen niet afgedragen premies sociale verzekeringswetten vanwege werkzaamheden van een mededirecteur van een buitenlandse vennootschap. De bezwaren tegen de correctienota’s werden niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding, terwijl de bezwaren tegen de boetenota’s ongegrond werden verklaard.
De rechtbank oordeelde dat de werkgever niet opzettelijk of met grove schuld had gehandeld, mede omdat de jurisprudentie over de verzekeringsplicht van een directeur met persoonlijke vennootschap pas sinds medio 1995 was ontwikkeld. De Raad oordeelt echter anders en kwalificeert het handelen van de werkgever als opzet en/of grove schuld, omdat het naliet de verzekeringsplicht te onderzoeken en informatie in te winnen bij de uitvoeringsinstelling.
De Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank voor zover het de boetenota’s betreft, stelt de boete vast op 37,5% van de ambtshalve vastgestelde premie (in plaats van 50%) en veroordeelt het UWV in de proceskosten van € 644. De bezwaren tegen de correctienota’s blijven niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het beroep tegen de boetenota’s wordt gegrond verklaard, de boete wordt vastgesteld op 37,5%, en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.