ECLI:NL:CRVB:2004:AP1836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. 't Hooft
- R.M. van Male
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering IOAW-uitkering wegens onjuiste inlichtingen
Appellant ontving sinds november 1995 een IOAW-uitkering als alleenstaande. Nadat gedaagde ontdekte dat appellant inkomsten had uit het kweken van hennep, werd het recht op uitkering over de periode 1 maart 1997 tot 13 februari 1998 ingetrokken. Appellant maakte geen bezwaar tegen dit intrekkingsbesluit.
Later werd aan appellant en zijn partner een uitkering toegekend naar gehuwdennorm. Vervolgens vorderde gedaagde de kosten van de IOAW-uitkering over de periode 1 maart 1997 tot 13 februari 1998 terug en stelde een maandelijkse verrekening vast. Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank vernietigde het besluit over de terugvordering voor het tijdvak vóór 1 juli 1997 wegens een onjuiste wettelijke grondslag, maar liet de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte in stand. In hoger beroep beperkte appellant zich tot de vraag of deze rechtsgevolgen terecht in stand waren gelaten.
De Raad oordeelde dat het intrekkingsbesluit zonder bezwaar onherroepelijk was en dat daarmee vaststond dat de uitkering was verleend op grond van onjuiste of onvolledige inlichtingen. Dit rechtvaardigde de terugvordering. De Raad verwierp de bezwaren tegen de hoogte en wijze van invordering van het bedrag wegens gebrek aan onderbouwing. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de IOAW-uitkering over 1 maart 1997 tot 1 juli 1997 wegens onjuiste verstrekte inlichtingen.