ECLI:NL:CRVB:2004:AP1661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke beoordeling werkgeverschap bij vennootschap onder firma en dochter-B.V.
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of gedaagde als werkgever kan worden aangemerkt voor het betalen van sociale verzekeringspremies over chauffeurs die werkzaam zijn via een vennootschap onder firma (vof) waarin ook een dochter-B.V. participeert.
De rechtbank had geoordeeld dat de arbeidsverhouding niet tussen gedaagde en de chauffeurs bestond, maar tussen de chauffeurs en de vof, en dat alleen de vof als werkgever kon worden beschouwd. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat gedaagde als premieplichtige aanmerkte.
De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door de vof als werkgever aan te wijzen, terwijl het geschil uitsluitend ziet op de vraag of gedaagde als premieplichtige werkgever kan worden aangemerkt. De Raad vernietigt daarom de uitspraak voor zover deze de vof als werkgever aanwijst en bevestigt dat het oordeel over het werkgeverschap van gedaagde moet worden getoetst.
De Raad wijst tevens op het ontbreken van motivering door de rechtbank omtrent het werkgeverschap van de vof en benadrukt dat het niet aan de rechter is om een derde als werkgever aan te merken buiten het bestreden besluit. Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze de vennootschap onder firma als werkgever aanmerkt en bevestigt dat het werkgeverschap van gedaagde moet worden getoetst.