ECLI:NL:CRVB:2004:AP1234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- A. Beuker-Tilstra
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag wegens ziekte na onvoldoende herplaatsingsactiviteiten en afwijzing schadevergoeding
Appellant was sinds 1978 werkzaam als bijstandsmaatschappelijk werker en werd vanaf 4 juli 1994 wegens ziekte verhinderd zijn werkzaamheden te verrichten. Na een reorganisatie werd hij bovenformatief geplaatst en onderworpen aan medisch onderzoek dat blijvende ongeschiktheid voor zijn oorspronkelijke functie vaststelde, maar wel mogelijkheden voor andere passende werkzaamheden.
Er werden twee proefplaatsingen gerealiseerd, waarbij appellant niet aan de functie-eisen voldeed. Op 6 november 1996 verleende gedaagde het ontslag wegens ziekte, dat na bezwaar en beroep uiteindelijk werd bevestigd door de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat appellant op het moment van ontslag meer dan 24 maanden ziek was en geen herstel binnen zes maanden te verwachten was, en dat de herplaatsingsactiviteiten zorgvuldig en in overleg met de bedrijfsarts waren uitgevoerd.
Appellants stelling dat er meer passende functies beschikbaar waren, werd onvoldoende concreet onderbouwd en zijn claim op schadevergoeding wegens vermeende excessieve werkomstandigheden en medische kosten werd afgewezen wegens gebrek aan bewijs. De Raad achtte het ontslagbesluit rechtsgeldig en vond geen aanleiding voor vergoeding van immateriële schade, behalve wettelijke rente over achterstallig salaris.
De uitspraak van de rechtbank werd daarmee bevestigd en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Het geschil betreft de toepassing van artikel 8:5 CAR Pro/UWO en de beoordeling van herplaatsingsinspanningen en schadevergoedingsverzoeken in het kader van ontslag wegens ziekte.
Uitkomst: Het ontslag wegens langdurige arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd en de gevorderde schadevergoeding wordt afgewezen.