ECLI:NL:CRVB:2004:AP1170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met broer
Appellante ontving sinds 1 januari 1997 een Anw-uitkering. Gedaagde stelde vast dat zij vanaf mei 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met haar broer, wat zij niet tijdig had gemeld. Hierdoor werd de uitkering ingetrokken en teruggevorderd over de periode van juni 1997 tot november 1999.
De Raad oordeelde dat aan de criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan, namelijk het hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse zorg, waaronder financiële verstrengeling en zorg voor elkaar. De door de broer betaalde bijdrage van 300 gulden per maand werd als een bijdrage in de huishoudkosten beschouwd, niet als een zakelijke vergoeding.
Appellante voerde aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat de relatie commercieel was, maar de Raad vond de schriftelijke overeenkomst van 1 januari 2000 onvoldoende om een wijziging in de situatie aan te nemen. De terugvordering en intrekking van de uitkering werden daarom bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees erop dat tegen deze uitspraak beroep in cassatie mogelijk is wegens schending van bepalingen omtrent gezamenlijke huishouding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de Anw-uitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar broer.