ECLI:NL:CRVB:2004:AP1027
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- R.C. Stam
- K.J. Kraan
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beslissing hoofdelijk aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur bij faillissement
Appellant was bestuurder van een besloten vennootschap die failliet werd verklaard met onbetaalde premies werknemersverzekeringen. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen stelde appellant hoofdelijk aansprakelijk wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur, wat door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep betwistte appellant dit en voerde aan dat de verliezen voortkwamen uit tegenvallende omzet en omstandigheden buiten zijn schuld.
De Raad overwoog dat gedragingen na de melding van betalingsonmacht niet mogen worden meegewogen tenzij ze een voortzetting zijn van eerder onbehoorlijk bestuur. De Raad vond onvoldoende bewijs dat appellant onbehoorlijk heeft bestuurd, onder meer omdat het ontbreken van jaarrekeningen niet relevant was en de lage prijsstelling en nacalculatie onvoldoende onderbouwd waren. Ook de creditcarduitgaven en het ontbreken van een financiële administratie over 1998 boden geen overtuigend bewijs.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond en veroordeelde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellant.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt gegrond verklaard en het besluit tot hoofdelijk aansprakelijkheid wegens onbehoorlijk bestuur wordt vernietigd.