ECLI:NL:CRVB:2004:AP0544
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens ontbrekende kennisgeving en bevestiging weigering ziekengeld
Appellant, die sinds 1984 een WAO-uitkering ontving, werd in 1998 herzien naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid. In 1999 meldde hij zich ziek met klachten, maar de verzekeringsarts vond hem vanaf februari 2000 niet arbeidsongeschikt, wat leidde tot weigering van ziekengeld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant stelde dat zijn gemachtigde geen kennisgeving van de zitting had ontvangen.
De Raad constateerde dat de rechtbank niet kon aantonen dat de kennisgeving aangetekend was verstuurd, waardoor de uitspraak niet rechtsgeldig tot stand was gekomen en vernietigd moest worden. De zaak werd echter niet terugverwezen naar de rechtbank, omdat de Raad geen nadere behandeling nodig achtte en appellant dit ook niet wenste.
De Raad oordeelde dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, en dat appellant op basis van functies uit de WAO-schatting van 1998 geschikt was voor ten minste één functie. De informatie van de psychiater gaf geen aanleiding tot nader onderzoek. De Raad verklaarde het beroep ongegrond en bepaalde dat het UWV het betaalde recht van € 82,- aan appellant moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de weigering van ziekengeld bevestigd.