ECLI:NL:CRVB:2004:AP0142
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-naleving informatieplicht en werkzaamheden voor boetiek
Appellante ontving een bijstandsuitkering na haar faillissement en werd geacht geen substantiële werkzaamheden te verrichten. Uit een onderzoek van de sociale recherche bleek echter dat zij gedurende de relevante periode substantieel werkzaam was voor een boetiek, onder meer door aanwezigheid, verkoopactiviteiten en administratieve taken.
De gemeente trok de bijstandsuitkering per 1 januari 1999 in wegens het niet verstrekken van gevraagde informatie over haar werkzaamheden. Tevens werd een terugvordering opgelegd over de periode 1996-1998, waarbij werd aangenomen dat appellante als zelfstandige in haar levensonderhoud kon voorzien. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen deze besluiten.
De Raad oordeelt dat appellante weliswaar werkzaamheden verrichtte die op geld waardeerbare arbeid zijn, maar dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het aannemen van een fictief inkomen gelijk aan het minimumloon. Daarom wordt het terugvorderingsbesluit over de periode 1 februari 1996 tot 31 maart 1997 vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand vanwege schending van de informatieplicht.
De beëindiging van de uitkering per 1 januari 1999 wordt bevestigd, omdat appellante geen toereikende informatie verstrekte en de omstandigheden niet wezenlijk waren gewijzigd. De Raad veroordeelt de gemeente Rotterdam in de proceskosten en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De bijstandsuitkering werd terecht beëindigd per 1 januari 1999, het terugvorderingsbesluit over een deel van de periode werd vernietigd, en de gemeente werd veroordeeld in de proceskosten.