ECLI:NL:CRVB:2004:AO9957
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- M.C. Bruning
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling bij beëindiging dienstverband
Appellant, werkzaam als buitendienstmedewerker, verzocht op 29 augustus 2000 zijn werkgever om het dienstverband per 1 oktober 2000 met wederzijds goedvinden te beëindigen. Op 30 augustus 2000 meldde hij zich ziek wegens reeds ingetreden arbeidsongeschiktheid. De werkgever stemde in met het beëindigingsverzoek. Gedaagde, het UWV, weigerde de Ziektewetuitkering vanaf 1 oktober 2000 op grond van een benadelingshandeling, omdat appellant zijn recht op loondoorbetaling prijsgaf terwijl hij al arbeidsongeschikt was.
De rechtbank bevestigde deze weigering, stellende dat appellant de instemming met beëindiging kon worden verweten en dat het arbeidsongeschiktheidsrisico al was ingetreden bij het verzoek. De Centrale Raad van Beroep nuanceert dit oordeel: appellant was zich bewust van zijn psychische klachten bij het verzoek, en nam het risico dat het dienstverband zou eindigen na zijn ziekmelding. Dit vormt een benadelingshandeling zoals bedoeld in artikel 45 ZW Pro en het Maatregelenbesluit.
De Raad oordeelt dat het feit dat het dienstverband pas op 1 oktober eindigde niet betekent dat de arbeidsongeschiktheid op dat moment nog niet voorzienbaar was. De weigering van de uitkering is daarmee terecht en conform de wettelijke regeling. De Centrale Raad bevestigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, zonder toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewetuitkering wegens benadelingshandeling door appellant.