ECLI:NL:CRVB:2004:AO9161
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens ontbreken rechtmatig verblijf en arbeidsvergunning
Appellant had een voorwaardelijke verblijfsvergunning die later werd omgezet in een vergunning zonder beperking, waardoor hij in Nederland mocht verblijven en werken. Na intrekking van zijn verblijfsvergunning op 1 juni 1999 verrichtte hij geen arbeid meer in overeenstemming met de Wet arbeid vreemdelingen. Hij diende een aanvraag in voor een WW-uitkering, die werd geweigerd omdat hij niet rechtmatig verbleef en niet verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad bevestigt dit oordeel. Appellant beschikte niet over een paspoort met de vereiste sticker die arbeid vrij zou hebben toegestaan. Ondanks het ontbreken van een paspoort kon appellant niet worden beschouwd als verzekerd onder de WW. Er werden geen feiten aangevoerd die een afwijking van de geldende regels zouden rechtvaardigen.
De Raad ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De weigering van de WW-uitkering blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens ontbreken van rechtmatig verblijf en arbeidsvergunning.