ECLI:NL:CRVB:2004:AO8707
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- R.H.M. Roelofs
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering Ioaz-uitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder dringende terugvorderingsbezwaren
Appellant ontving sinds 1996 een Ioaz-uitkering als alleenstaande. Gedaagde beëindigde deze uitkering met ingang van 1 juni 1998 nadat bleek dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met appellante, die een hoger inkomen had dan de norm voor appellant. Hierdoor was ten onrechte een uitkering verstrekt.
Appellant en appellante maakten bezwaar tegen de terugvordering van de ten onrechte ontvangen uitkering. Het bezwaar tegen het besluit van 2 november 1999 werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare redenen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de terugvordering terecht was.
In hoger beroep betoogden appellanten dat er geen financiële verstrengeling was en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De Raad overwoog dat dringende redenen alleen kunnen bestaan bij onaanvaardbare sociale of financiële consequenties, wat hier niet het geval was. Ook was appellant tijdig op de hoogte van de terugvordering en had hij geen geldige reden voor het late bezwaar.
De Centrale Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werden geen proceskosten aan appellanten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van de Ioaz-uitkering wordt bevestigd.