ECLI:NL:CRVB:2004:AO7259
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken voorafgaand bezwaar bij AAW-uitkeringsbesluit
Appellant, die sinds 1985 een dienstverband had en sinds 1993 arbeidsongeschikt was, vroeg in 1993 een AAW-uitkering aan. Het toenmalige Lisv weigerde in 1996 de uitkering toe te kennen wegens het buiten beschouwing laten van reeds bestaande arbeidsongeschiktheid. Appellant stelde beroep in, dat deels werd toegewezen. Vervolgens maakte appellant bezwaar tegen het uitblijven van een nieuw besluit. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk, maar in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat appellant eerst bezwaar had moeten maken tegen het besluit.
De Raad stelt vast dat de verplichte bezwaarprocedure voor AAW-besluiten pas sinds 1 mei 1997 geldt en dat de opdracht tot het nemen van een nieuw besluit als een primair besluit moet worden beschouwd waartegen eerst bezwaar moet worden gemaakt. Omdat appellant direct beroep instelde zonder bezwaar, is het beroep niet-ontvankelijk. Het beroepschrift wordt met toepassing van artikel 6:15 Awb Pro naar het UWV gezonden als bezwaar.
De Raad veroordeelt het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed. De uitspraak bevestigt het belang van de bezwaarprocedure als voorwaarde voor beroep bij de rechter in bestuursrechtelijke geschillen over sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voorafgaand bezwaar.