ECLI:NL:CRVB:2004:AO5492
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Vaststelling aansprakelijkheid voor premieschulden en verjaring bij hoofdelijke aansprakelijkheid volgens de Coördinatiewet Sociale Verzekering
Appellant werd op grond van artikel 16c, eerste lid, onder a, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor onbetaalde premies van een bedrijf over de jaren 1993 en 1994. Hij voerde aan dat de aansprakelijkstelling was verjaard op grond van de verjaringstermijnen uit het Burgerlijk Wetboek (BW) en dat het bestuursorgaan onnodig lang had getalmd met de aansprakelijkstelling.
De Raad overwoog dat artikel 13 van Pro de CSV, dat een verjaringstermijn van vijf jaar bevat, niet van toepassing is op artikel 16c CSV en dat de verjaringstermijnen uit het BW niet gelden voor de periode voorafgaand aan het bestuursbesluit tot aansprakelijkstelling. Verder concludeerde de Raad dat het bestuursorgaan weliswaar lang had getalmd, maar dat dit niet zodanig onnodig was dat het gevolgen voor de aansprakelijkstelling zou hebben.
Daarnaast werd vastgesteld dat appellant een specificatie van het aansprakelijk gestelde bedrag had ontvangen en dat hij onvoldoende had onderbouwd waarom dit onduidelijk zou zijn. Wel stelde de Raad het bedrag van de aansprakelijkstelling vast op f 62.915,84, lager dan het oorspronkelijke bedrag. De Raad veroordeelde het bestuursorgaan tot betaling van de proceskosten en vergoedde het griffierecht aan appellant.
De uitspraak benadrukt dat voor het ontstaan van een rechtsvordering tot aansprakelijkstelling een bestuursbesluit vereist is en dat de wettelijke verjaringstermijnen uit het BW niet zonder meer van toepassing zijn op dergelijke bestuursrechtelijke aansprakelijkstellingen.
Uitkomst: De Raad stelde het aansprakelijkheidsbedrag vast op f 62.915,84 en veroordeelde het bestuursorgaan in de proceskosten.