ECLI:NL:CRVB:2004:AO5342
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gewenningsperiode bij verlaging toeslag uitkering op grond van de Algemene bijstandswet
Het geschil betreft een wijziging van de toeslag op de bijstandsuitkering van gedaagde, die aanvankelijk een toeslag van 20% ontving omdat hij niet samenwoonde, maar waarbij de toeslag op grond van verhuizing naar een kamer werd verlaagd naar 10%. Deze verlaging werd pas in 1998 ontdekt en met terugwerkende kracht per 1 oktober 1998 vastgesteld, waarbij de teveel ontvangen uitkering niet werd teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde het besluit vanwege de terugwerkende kracht en bepaalde dat een nieuwe beslissing moest worden genomen, waarbij een gewenningsperiode aan gedaagde moest worden gegund. Appellant stelde in hoger beroep dat de gewenningsperiode vanaf 26 juni 1998, toen gedaagde geïnformeerd werd, tot ruim drie maanden daarna moest lopen.
De Raad overweegt dat bij een niet aan gedaagde toe te rekenen fout van appellant een gewenningsperiode passend is, en dat deze periode moet ingaan vanaf het moment van kennisgeving aan gedaagde. Omdat gedaagde op 26 juni 1998 geïnformeerd is, acht de Raad een gewenningsperiode tot en met 31 oktober 1998 redelijk en in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Raad bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaart het hoger beroep, voor zover gericht tegen het moment van de gewenningsperiode, ongegrond. Tevens wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat een gewenningsperiode van 26 juni 1998 tot 31 oktober 1998 passend is en verklaart het hoger beroep ongegrond.