ECLI:NL:CRVB:2004:AO5145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen Defensieartsen
Appellant, voormalig sergeant-majoor bij de Koninklijke Marine, leed aan een posttraumatische stressstoornis na een brandincident en werd behandeld door twee therapeuten. Na invoering van het nieuwe Militaire Ziektekostenstelsel werden zijn vergoedingen overgedragen aan USZO-Defensie, wat leidde tot discussie over de vergoeding van behandelingen.
Appellant vorderde vergoeding van immateriële schade wegens vermeend onrechtmatig handelen door artsen van Defensie en USZO-Defensie, die volgens hem afspraken over vergoeding ter discussie stelden en zijn dossier overdroegen zonder toestemming. De rechtbank wees zijn beroep af en de Raad bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de overdracht van het dossier en het verzoek om informatie aan behandelaars zorgvuldig en niet onrechtmatig was. Ook werd vastgesteld dat de mededeling over haptonomie niet inhield dat vergoeding werd ontzegd. Het verzoek om aanhouding voor nader feitenonderzoek werd afgewezen omdat de vraagstelling beperkt was.
De Raad concludeerde dat geen sprake was van onrechtmatig handelen door de betrokken artsen en dat het besluit tot weigering van immateriële schadevergoeding rechtmatig was. Proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van immateriële schadevergoeding wegens ontbreken van onrechtmatig handelen door Defensieartsen en USZO-Defensie.