ECLI:NL:CRVB:2004:AO5098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging BWOO-uitkering wegens niet-beschikbaarheid Nederlandse arbeidsmarkt
Appellante, werkzaam in het onderwijs, verhuisde in 1999 naar Duitsland vanwege het werk van haar echtgenoot en vroeg een BWOO-uitkering aan. De uitkering werd toegekend maar later vastgesteld op 0,00 uren omdat zij niet in Nederland verbleef. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat zij feitelijk beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt, omdat zij werkte voor Nederlandse scholen in Duitsland en verwees naar een vergelijkbare situatie van een ander.
De rechtbank verklaarde het bezwaar deels gegrond wegens ondeugdelijke motivering, maar oordeelde dat de uitkering terecht werd beëindigd omdat appellante niet als grensarbeider kon worden aangemerkt en niet beschikbaar was voor de Nederlandse arbeidsmarkt. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat uitzonderingen op de regel dat verblijf buiten Nederland leidt tot uitsluiting van uitkering restrictief moeten worden uitgelegd.
De Raad overweegt dat appellante niet voldoet aan de criteria van artikel 1, derde lid, van de Regeling, die alleen grensarbeiders die zich als werkzoekende inschrijven in Nederland uitzonderen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de situatie van de andere betrokkene niet vergelijkbaar is en het besluit van de Minister zorgvuldig was. De Raad bevestigt de uitspraak en ziet geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de BWOO-uitkering terecht is beëindigd omdat appellante niet beschikbaar is voor de Nederlandse arbeidsmarkt.