ECLI:NL:CRVB:2004:AO4946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.J. van der Net
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1 september 1996 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van tips over samenwoning met haar partner heeft de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek ingesteld, waarbij verklaringen van getuigen en van appellante en haar partner zijn gehoord.
De Sociale Verzekeringsbank trok de uitkering met ingang van 1 september 1998 in, omdat appellante niet had gemeld dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar partner. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij hoger beroep instelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat appellante en haar partner ten tijde van het geschil een gezamenlijke huishouding voerden, omdat zij hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, onder meer door gezamenlijke boodschappen, vakanties en verzorging bij ziekte. Het verblijf van de partner in het buitenland deed hieraan niet af.
De Raad bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering met ingang van 1 september 1998 en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.