ECLI:NL:CRVB:2004:AO4758
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- D.J. van der Vos
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Onjuiste vaststelling aflossingscapaciteit bij terugvordering ziekengeld in gemeenschap van goederen
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een gedaagde over de terugvordering van onverschuldigd betaald ziekengeld en de vaststelling van de aflossingscapaciteit. Het UWV had het inkomen van de echtgenote van de gedaagde volledig meegerekend bij het bepalen van de aflossingscapaciteit, terwijl de rechtbank dit onrechtmatig achtte.
De rechtbank vernietigde het besluit van het UWV en stelde dat de beslagvrije voet van de schuldenaar voor ten hoogste de helft mag worden verminderd met het inkomen van de echtgenote, conform artikel 475d, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Het UWV ging hiertegen in hoger beroep, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Raad overwoog dat het Besluit Tica, waarin het UWV zich baseerde, in zoverre in strijd is met de wettelijke bepalingen en daarom buiten toepassing moet blijven. De beslagvrije voet dient individueel te worden vastgesteld en het inkomen van de echtgenote mag niet volledig worden meegerekend. Het UWV werd opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en werd veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met correcte berekening van de aflossingscapaciteit.