ECLI:NL:CRVB:2004:AO2884
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot kinderbijslag voor in Turkije verblijvend kind afgewezen wegens twijfel over bestaan
Appellant vordert kinderbijslag voor zijn zoon Muhammed die in Turkije verblijft. De Sociale verzekeringsbank (SVB) stelde twijfels over het bestaan van Muhammed en liet een onderzoek uitvoeren door medewerkers van de Nederlandse ambassade in Turkije. Dit onderzoek wees uit dat het gezin uit vijf kinderen bestond en dat Muhammed ouder leek dan in het bevolkingsregister stond, zonder identiteitskaart.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat het bestaan van Muhammed niet overtuigend was aangetoond. In hoger beroep betoogde appellant dat het onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd, onder meer doordat geen Koerdische tolk werd ingezet en de kinderen de Turkse taal slecht beheersten. De Raad oordeelde dat het onderzoek te beperkt was en de conclusie over het niet-bestaan van Muhammed niet ondubbelzinnig was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep gegrond. Tevens veroordeelde de Raad de SVB tot vergoeding van de proceskosten en griffierecht. De zaak benadrukt het belang van zorgvuldigheid bij het vaststellen van het bestaan van kinderen voor kinderbijslag en de noodzaak van overtuigend bewijs bij twijfel.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot ontzegging van kinderbijslag voor Muhammed wordt vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.