ECLI:NL:CRVB:2003:AO7572
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.C.F. Talman
- J.H. van Kreveld
- P.G.M. Zwartkruis
- Rechtspraak.nl
Beoordeling repatriëring militair wegens vermeend strafbaar feit en zorgvuldigheid procedure
Appellant, een sergeant bij de geneeskundige dienst, werd in 1999 uitgezonden naar Kosovo. Na een aangifte van seksuele intimidatie startte de Koninklijke Marechaussee een strafrechtelijk onderzoek en werd appellant op 25 september 1999 het verbod opgelegd de bataljonspost te betreden. Op 19 oktober 1999 werd besloten tot repatriëring vanwege niet te tolereren gedrag dat als een strafbaar feit en major offence werd aangemerkt.
Appellant werd in hoger beroep vrijgesproken van het strafbare feit en betoogde dat de repatriëringsbeslissing onjuist was en dat de zorgvuldigheid bij de procedure niet was nageleefd, onder meer omdat hij niet tijdig in Kosovo was gehoord. De Raad overwoog dat de repatriëringsregels van toepassing waren en dat repatriëring reeds bij vermoeden van een strafbaar feit kon plaatsvinden, zonder het oordeel van de strafrechter af te wachten.
De Raad achtte het niet onzorgvuldig dat appellant niet in Kosovo maar in Nederland werd gehoord, waarbij hij voldoende gelegenheid kreeg zijn zienswijze te geven en werd bijgestaan door een gemachtigde. Hoewel het verplichte korte rapport van het verhoor ontbrak, was dit onvoldoende reden om het besluit te vernietigen. De Raad concludeerde dat het besluit tot repatriëring voldoende zorgvuldig was voorbereid en dat het bestreden besluit in stand kon blijven.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen omdat geen grondslag bestond. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: Het besluit tot repatriëring van appellant wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.