ECLI:NL:CRVB:2003:AO6225
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt recht op WW-uitkering bij ontslag om medische redenen
De zaak betreft een geschil over de weigering van een WW-uitkering aan gedaagde, die ontslag nam bij haar werkgever vanwege medische klachten. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), had de uitkering geweigerd omdat zij vond dat gedaagde verwijtbaar werkloos was geworden door het nemen van ontslag zonder uitzicht op een nieuwe baan.
De rechtbank vernietigde het besluit van het Uwv omdat het oordeel onvoldoende was gemotiveerd en niet alle relevante omstandigheden waren betrokken, met name het ontbreken van een advies van een arts of arbodienst werd niet als doorslaggevend beschouwd. In hoger beroep heeft de Raad het nieuwe beleid van appellant beoordeeld, waarbij ook medische omstandigheden breder worden meegewogen.
De Raad concludeert dat gedaagde geen verwijt treft voor het ontslag op medische gronden, mede gelet op rapporten waaruit blijkt dat het werk schadelijk was voor haar gezondheid en dat deze situatie niet binnen afzienbare termijn zou verbeteren. De Raad bevestigt daarom het oordeel van de rechtbank en veroordeelt appellant tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: De WW-uitkering wordt toegekend omdat het ontslag op medische gronden niet verwijtbaar was.