ECLI:NL:CRVB:2003:AO1609
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- J.G. Treffers
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking toeslag AOW na 65e verjaardag huwelijkspartner in grensoverschrijdende situatie
Appellant, woonachtig in België en AOW-gerechtigde, kreeg aanvankelijk een toeslag op zijn AOW-pensioen omdat zijn echtgenote jonger was dan 65 jaar. Na het bereiken van haar 65e verjaardag werd deze toeslag ingetrokken door de Sociale Verzekeringsbank, wat appellant aanvocht met het argument dat dit leidt tot indirecte discriminatie en strijd met het EG-Verdrag en Verordening 1408/71.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het probleem primair aan Belgische zijde opgelost moet worden, wat door de Centrale Raad van Beroep werd bevestigd. De Raad verwees naar arresten van het Hof van Justitie van de EG (Van Munster en Engelbrecht) die aangeven dat de kwalificerende lidstaat verantwoordelijk is voor het harmoniseren van haar wetgeving met het gemeenschapsrecht.
De Raad oordeelde dat de AOW-regeling zelf niet discrimineert en geen belemmering vormt voor het vrije verkeer, omdat zij gelijkelijk wordt toegepast. De nadelige effecten zijn het gevolg van de Belgische wetgeving die het Nederlandse pensioen van de jongere partner anders kwalificeert. De intrekking van de toeslag is gerechtvaardigd door het legitieme doel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij pensioenrechten.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het bestreden besluit, waarbij tevens werd opgemerkt dat geen aanleiding was voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: De intrekking van de toeslag op de AOW na het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de echtgenote wordt bevestigd en is niet in strijd met het gemeenschapsrecht.