ECLI:NL:CRVB:2003:AN9790

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 december 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/5539 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 Europese code inzake sociale zekerheidArt. 71 Verdrag nr. 102 Internationale ArbeidsorganisatieArt. 76a WAOArt. 77 WAOArt. 78 WAO
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging berekening gedifferentieerde WAO-premie na uitdiensttreding

Appellante betwistte de berekening van de gedifferentieerde premie voor het jaar 1999, waarbij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) uitkeringen aan twee voormalige werknemers die in 1997 uit dienst waren getreden, heeft meegenomen. De rechtbank Amsterdam verwierp het beroep van appellante en ook in hoger beroep wordt dit oordeel bevestigd.

Appellante stelde dat de WAO-uitkeringen die na uitdiensttreding werden betaald, buiten beschouwing moesten blijven. Dit verweer werd in eerste aanleg en in hoger beroep verworpen. Tevens voerde appellante aan dat zij onvoldoende inzicht had gekregen in de gegevens waarop de toekenning van de WAO-uitkeringen was gebaseerd, maar dit werd niet gegrond verklaard omdat zij de juistheid van de uitkeringen niet betwistte.

Verder verzocht appellante om het stellen van préjudiciële vragen aan internationale verdragsorganen, maar dit verzoek werd afgewezen omdat die verdragen geen voorziening voor préjudiciële vragen bevatten.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er zijn geen gronden aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekening van de gedifferentieerde WAO-premie wordt bevestigd.

Uitspraak

00/5539 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 8 maart 1999 heeft gedaagde ongegrond verklaard de bezwaren van appellante tegen het besluit van
30 december 1998, waarbij de door haar voor het premiejaar 1999 verschuldigde premie als bedoeld in artikel 76a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) is vastgesteld op 10,19 %.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 7 september 2000 het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 23 oktober 2003, waar appellante niet is verschenen, en waar voor gedaagde is verschenen mr. R.J. Bilderbeek, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De door appellante krachtens de WAO verschuldigde premie voor het jaar 1999, zoals door gedaagde vastgesteld, bestaat uit een basispremie als bedoeld in artikel 77 van Pro de WAO van 6,95% en een gedifferentieerde premie als bedoeld in artikel 78 van Pro de WAO ter grootte van 3,24%. Bij de berekening van laatstbedoelde premie heeft gedaagde in aanmerking genomen de in het jaar 1997 aan twee voormalige werknemers van appellante uitbetaalde uitkeringen krachtens de WAO. Deze werknemers zijn per 1 april, respectievelijk 1 augustus 1997 uit dienst getreden.
In eerste aanleg heeft appellante enkel aangevoerd dat de aan haar voormalige werknemers betaalde WAO-uitkeringen bij de berekening van de gedifferentieerde premie buiten beschouwing moeten blijven, voor zover deze na hun uitdiensttreding zijn uitgekeerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze, in hoger beroep niet meer herhaalde, grond op juiste gronden verworpen.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat zij in haar belangen is geschaad, omdat haar door gedaagde geen inzicht is gegeven in de gegevens die aan de toekenning van de WAO-uitkeringen aan haar voormalige werknemers ten grondslag hebben gelegen. Deze stelling slaagt niet nu appellante, zelfs niet in algemene termen, de juistheid van deze toekenningen in geen enkel stadium van het geding ter discussie heeft gesteld, zodat zij bij kennisneming van de door haar verlangde gegevens geen belang heeft in het licht van hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd.
Appellante heeft, voor het eerst in hoger beroep, onder verwijzing naar artikel 70 van Pro de Europese code inzake sociale zekerheid en artikel 71 van Pro het Verdrag betreffende minimumnormen van sociale zekerheid (verdrag nummer 102 van de Internationale Arbeidsorganisatie) gevraagd om préjudiciële vragen te stellen. Dat verzoek kan de Raad reeds daarom niet honoreren, aangezien deze verdragen of daarvan onderdeel uitmakende protocollen niet voorzien in de mogelijkheid om préjudiciële vragen te stellen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 december 2003.
(get.) R.C. Schoemaker
(get.) R.E. Lysen