ECLI:NL:CRVB:2003:AN8460
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- Ch. de Vrey
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aansprakelijkheid bestuurders voor kennelijk onbehoorlijk bestuur bij betalingsonmacht
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) stelde bestuurders van Condaria Nederland B.V. hoofdelijk aansprakelijk voor onbetaalde premies over 1996 wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur. De rechtbank Rotterdam vernietigde deze besluiten en verklaarde de beroepen van de bestuurders gegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat ook gedragingen na de melding van betalingsonmacht op 12 juni 1996, zoals verduistering van airconditioners en leegverkoop zonder administratie, als onbehoorlijk bestuur moeten worden meegewogen. De Centrale Raad oordeelt echter dat op grond van artikel 16d, derde lid, CSV, alleen gedragingen binnen drie jaar vóór de melding van betalingsonmacht relevant zijn, tenzij latere gedragingen een voortzetting van eerder onbehoorlijk bestuur aantonen.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank en beveelt appellant een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad het Uwv tot betaling van proceskosten aan de bestuurders. De uitspraak onderstreept de strikte tijdslimiet voor het beoordelen van kennelijk onbehoorlijk bestuur in het kader van aansprakelijkheid voor onbetaalde premies.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en bepaalt dat alleen gedragingen tot de melding van betalingsonmacht relevant zijn voor aansprakelijkheid wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur.