ECLI:NL:CRVB:2003:AN8440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H. Bolt
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Verwijtbare werkloosheid door lichtvaardig opzeggen arbeidsovereenkomst voor tijdelijke uitzendbaan
Appellante was sinds 1991 werkzaam als verkoopster bij een bedrijf en werkte 32 uur per week. Na de geboorte van haar zoon wilde zij minder uren werken en andere werktijden. Na een gesprek met haar directe chef zocht zij een baan van 24 uur bij een uitzendbureau en kreeg een tijdelijke betrekking bij een inlener. Op basis van informatie van het uitzendbureau ging zij ervan uit dat haar wensen qua werktijden werden gehonoreerd en zegde haar vaste baan per 1 december 1999 op.
Na de bedrijfsopleiding bleek dat het rooster bij de inlener niet aan haar wensen voldeed. Zij zegde de uitzendbaan op en vroeg WW-uitkering aan. Het UWV weigerde de uitkering omdat appellante verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door het opzeggen van haar vaste baan zonder alle mogelijkheden te hebben onderzocht, zoals een gesprek met personeelszaken.
De rechtbank bevestigde deze weigering, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante te lichtvaardig heeft gehandeld door alleen op informatie van het uitzendbureau af te gaan en niet zelf bij de inlener te verifiëren. Dit vermindert echter de verwijtbaarheid in aanzienlijke mate. Daarom vernietigt de Raad het besluit en bepaalt dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante. Het geschil draait om de uitleg van verwijtbare werkloosheid en de mate waarin een werknemer verplicht is alle mogelijkheden te onderzoeken voordat hij ontslag neemt.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en het UWV dient een nieuw besluit te nemen met vermindering van de verwijtbaarheid, waardoor de WW-uitkering niet volledig wordt geweigerd.