ECLI:NL:CRVB:2003:AN7527

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/4891 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling functioneren ambtenaar en schending redelijke termijnprocedure

Appellant, werkzaam als ambtenaar bij de gemeente Rotterdam, stelde zich in hoger beroep op het standpunt dat zijn negatieve functioneringsbeoordeling onterecht was en dat de procedure onredelijk lang had geduurd. De beoordeling uit 1997 werd gehandhaafd na bezwaar en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

De Raad overwoog dat de beoordeling betrekking had op de eerste helft van 1997 en dat eerdere perioden niet relevant waren. De grief dat appellant was overvallen door het beoordelingsgesprek werd verworpen omdat hij tijdig was geïnformeerd. De Raad vond dat de beoordeling voldoende was onderbouwd met concrete feiten en omstandigheden, waaronder afspraken die appellant niet was nagekomen en een onvoldoende open houding.

De Raad verwierp ook het bezwaar dat de beoordeling onvoldoende objectief was, omdat meerdere leidinggevenden betrokken waren geweest bij de totstandkoming en vaststelling van de beoordeling. Wel erkende de Raad dat de bewoordingen soms niet strikt zakelijk waren, maar dat dit niet leidde tot onvoldoende toetsbaarheid.

Ten slotte stelde de Raad vast dat de totale duur van de procedure ruim vijf en een half jaar bedroeg, waarbij ruim een jaar voor rekening van de gemeente kwam. Dit leidde tot een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Gezien de aard van het besluit werden hieraan echter geen gevolgen verbonden voor de geldigheid van het besluit. Appellant werd verwezen naar de burgerlijke rechter voor eventuele schadevergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de negatieve functioneringsbeoordeling wordt bevestigd ondanks de schending van de redelijke termijn.

Uitspraak

01/4891 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2001, nr. AW 99/1351 - ZWI, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 2 oktober 2003, waar namens appellant is verschenen mr.V.M. Weski, advocaat te Rotterdam. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K.I. Siem, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] bij de afdeling [naam afdeling] van de Bestuursdienst van de gemeente Rotterdam. Op 17 februari 1998 is de op 10 juli 1997 opgemaakte beoordeling over appellants functioneren vastgesteld, welke beoordeling na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit van 12 mei 1999. Het samenvattend oordeel was dat appellant functioneert onder het niveau waarop hij is aangesteld, zich niet voldoende controleerbaar gedraagt, onvoldoende pro-actief, te weinig innovatief en niet voldoende communicatief is, te weinig is gericht op samenwerking en inhoudelijk te weinig bijdraagt.
1.2. De rechtbank heeft het tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.
2.1. Partijen onderschrijven inmiddels het oordeel van de rechtbank dat de beoordeling, bij ontbreken van de aanduiding van een beoordelingstijdvak, geacht moet worden betrekking te hebben op de eerste helft van 1997 en niet op de daaraan voorafgaande periode. Dit betekent, naar van de zijde van gedaagde ook is erkend, dat hetgeen vóór 1 januari 1997 heeft plaatsgevonden niet rechtstreeks aan de beoordeling ten grondslag kan worden gelegd.
2.2. De grief van appellant dat hij door de uitnodiging voor het beoordelingsgesprek op 10 juli 1997 is overvallen treft naar het oordeel van de Raad geen doel. Een beoordeling was appellant reeds ruim van tevoren in het vooruitzicht gesteld - immers eind januari 1997 was met hem afgesproken dat zijn functioneren na een half jaar zou worden bezien - en voorts is appellant een week van tevoren op de hoogte gebracht van het te houden gesprek, welke periode de Raad voldoende acht voor appellant om zich op dat gesprek te kunnen voorbereiden.
2.3. Ook de grief van appellant dat de beoordeling onvoldoende objectief zou zijn slaagt niet. De beoordeling is in overeenstemming met het toepasselijke beoordelingsreglement opgemaakt door appellants direct leidinggevende. Het reglement voorziet niet in het opmaken van een beoordeling door twee personen. De beoordeling is voor akkoord getekend door de naast hogere chef van appellant, de directeur ABZ, nadat deze een gesprek met appellant heeft gevoerd over de inhoud van de beoordeling en het commentaar van appellant daarop. Tenslotte is de beoordeling vastgesteld door het hoofd van de dienst, nadat ook deze appellant had gehoord. Hieruit volgt dat bij de omstreden beoordeling diverse leiding- gevenden waren betrokken, zodat niet kan worden staande gehouden dat appellant het slachtoffer is geworden van de slechte relatie met zijn directe teamchef.
Aan appellant kan worden toegegeven dat de bewoordingen waarin de beoordeling is gesteld niet steeds als strikt zakelijk kunnen worden aangemerkt. In de beoordeling klinkt onmiskenbaar enige irritatie door over appellants houding en optreden. Evenals de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat de beoordeling louter een weergave is van de subjectieve beleving van appellants directe chef, die niet gestaafd wordt door concrete feiten en omstandigheden.
2.4. De Raad kan appellant evenmin volgen in zijn - meest inhoudelijke - stelling dat het resultaat van de beoordeling niet wordt gedragen door concrete feiten en omstandigheden. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan een negatieve beoordeling als hier in geding de rechterlijke toetsing slechts doorstaan indien het bestuursorgaan aan de hand van concrete feiten aannemelijk maakt dat die negatieve waardering niet op onvoldoende gronden berust. De in het beoordelingsformulier vermelde concrete feiten en omstandigheden zijn inderdaad beperkt van omvang. In de loop van de procedure is echter een veelheid van voorbeelden genoemd, dat dermate sprekend is en waarvan een groot deel door appellant ook niet is ontkend, zodat de Raad tot het oordeel komt dat de beoordeling zijn toetsing kan doorstaan. In dit verband wijst de Raad op het viertal afspraken dat met appellant is gemaakt in januari 1997, welke afspraken zijn neergelegd in het schrijven van 13 maart 1997 van de directeur ABZ. Appellant heeft niet alleen niet voldaan aan de eis maandrapportages in te leveren op de daarvoor geëigende wijze, hij heeft evenmin voldaan aan verschillende verzoeken van zijn teamchef deze laatste te voorzien van informatie over zijn activiteiten. Diverse briefjes van de teamchef in het dossier zijn daarvan getuige. Van verbreding en verdieping van de portefeuille is, naar voldoende aannemelijk is geworden, geen sprake geweest, omdat appellant, naar zijn zeggen, die opdracht niet begrijpt, er de zin van betwijfelt en nadere instructie heeft afgewacht. Tenslotte is waargenomen dat appellant niet de gewenste open en geïnteresseerde opstelling ten toon heeft gespreid die van hem werd verlangd. Appellant heeft weliswaar ontkend dat dit het geval is, maar de Raad ziet de waarneming van appellants leidinggevenden weerspiegeld in het dossier, zoals in appellants schriftelijke weerlegging van de feiten en in de verslaglegging van de met hem gevoerde gesprekken.
2.5. Tot slot komt de Raad toe aan de grief van appellant dat de beoordelingsprocedure inclusief de behandeling door de rechtbank en de Raad zodanig lang heeft geduurd dat sprake is van schending van artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Als gevolg van deze lange duur heeft appellant onnodig lang in spanning gezeten over de afloop van zijn zaak en is hij gefrustreerd geraakt. De Raad stelt vast, ervan uitgaande dat op 30 maart 1998 - toen bezwaar werd gemaakt tegen de op 17 februari 1998 vastgestelde beoordeling - de termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is aangevangen, dat de procedure tot op heden ruim vijf en een half jaar heeft geduurd, waarvan ruim één jaar voor rekening komt van gedaagde. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van
4 juli 2003, gepubliceerd in RSV 2003/211, stelt de Raad vast dat gelet op de totale duur van deze procedure tot op heden - en op de perioden waarin de behandeling van de procedure zowel in bezwaar als in eerste aanleg en hoger beroep zonder duidelijke oorzaak heeft stilgelegen - sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Gelet op de aard van het onderhavige besluit ziet de Raad geen aanleiding aan deze schending gevolgen te verbinden voor de geldigheid van dat besluit. Voor de vaststelling van de gevolgen die moeten worden verbonden aan deze schending kan appellant zich wenden tot de burgerlijke rechter.
2.6. Gelet op al het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2003.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) L.N. Nijhuis.
Q