ECLI:NL:CRVB:2003:AM2540
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.G.M. Simons
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlaging toeslag bijstand en woonkostentoeslag onder Awb en Abw
Appellante ontving een bijstandsuitkering met een toeslag van 20% en had een inwonende meerderjarige zoon. De gemeente verlaagde de toeslag per 1 oktober 1999 naar 10%, omdat werd aangenomen dat de zoon een inkomen had van ten minste 50% van het minimumloon. De Raad oordeelt dat de gemeente dit niet voldoende heeft onderzocht en dat de verlaging niet met terugwerkende kracht mag plaatsvinden. De bezwaarprocedure tegen deze verlaging en tegen de afwijzing van woonkostentoeslag werd deels onterecht niet-ontvankelijk verklaard.
De Raad bevestigt dat de aanvraag om bijzondere bijstand voor woonkosten terecht is afgewezen omdat de huursubsidie als voorliggende voorziening geldt en er geen dringende redenen zijn om hiervan af te wijken. Ook een tweede aanvraag om woonkostentoeslag werd terecht afgewezen, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd.
De Raad vernietigt het besluit van 13 januari 2000 voor zover het besliste op het bezwaar tegen de verlaging van de toeslag en het bezwaar tegen de afwijzing van de eerste aanvraag woonkostentoeslag. De gemeente moet een nieuw besluit nemen waarbij het inkomen van de zoon op de juiste wijze wordt vastgesteld en bijzondere individuele omstandigheden worden betrokken. Tevens wordt de gemeente veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Besluit verlaging toeslag wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek inkomen; afwijzing woonkostentoeslag bevestigd wegens voorliggende voorziening huursubsidie.