ECLI:NL:CRVB:2003:AL6995
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kinderbijslag wegens niet tijdig gezinshereniging en onvoldoende onderhoud
Appellant, een vluchteling uit Irak, vroeg kinderbijslag aan voor zijn kinderen Showan en Awat die in Syrië verbleven. De Sociale verzekeringsbank weigerde dit omdat appellant niet binnen twee maanden na aankomst in Nederland een aanvraag tot gezinshereniging had ingediend en onvoldoende bewijs leverde van onderhoud.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onjuiste motivering over de termijn voor gezinshereniging, maar oordeelde dat appellant geen huishouden vormde met de kinderen en onvoldoende onderhoud aannemelijk had gemaakt. In hoger beroep bevestigt de Raad dit oordeel.
De Raad benadrukt dat een fictie van een onafgebroken huishouden alleen geldt als reële stappen tot gezinshereniging spoedig na aankomst zijn genomen, wat hier niet het geval was. Voor de periode van het eerste kwartaal 1999 tot en met het eerste kwartaal 2000 vormde appellant geen huishouden met de kinderen en heeft hij onvoldoende onderhoud op verifieerbare wijze aangetoond.
Daarom wordt het beroep afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van kinderbijslag bevestigd.