ECLI:NL:CRVB:2003:AK3428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.G.M. Simons
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks strafrechtelijke ontnemingsvordering
Appellant ontving bijstand over de periode van 1984 tot 1996 en werd in 1996 strafrechtelijk onderzocht wegens exploitatie van hennepkwekerijen. In 1997 werd een schikking getroffen tot betaling van f 7.500 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De gemeente Amsterdam herzag daarop het recht op bijstand over 1995-1996 en vorderde de bijstand terug.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens toepassing van een niet van toepassing zijnde wetsbepaling, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Appellant voerde aan dat de terugvordering niet volledig mocht zijn vanwege de schikking en dat de gemeente geen zelfstandig onderzoek had verricht naar de opbrengsten.
De Raad oordeelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden en dat het aan hem was om aannemelijk te maken dat de inkomsten lager waren dan de bijstandsnorm. De strafrechtelijke schikking was niet bindend in de bestuursrechtelijke procedure. De Raad bevestigde dat de terugvordering terecht was en dat de schikking geen invloed had op de hoogte van het terug te vorderen bedrag.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand ondanks de strafrechtelijke ontnemingsvordering.