ECLI:NL:CRVB:2003:AK3414
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van inkomen en boete bij Ioaz-uitkering bij gezamenlijke huishouding
Appellant [appellant 1] ontving een Ioaz-uitkering als alleenstaande, maar na samenwonen met [appellante 2] werd de uitkering ingetrokken wegens gezamenlijke huishouding en het gezamenlijke inkomen. De Duitse Hinterbliebenenrente van [appellante 2] werd als inkomen in verband met arbeid aangemerkt.
De Raad oordeelde dat de uitkering van [appellante 2] onder artikel 7, lid 1, onderdeel d, van het Inkomensbesluit Ioaw valt en derhalve meetelt bij de vaststelling van de Ioaz-uitkering. Omdat [appellant 1] de gezamenlijke huishouding niet tijdig meldde, werd zijn uitkering ingetrokken en teruggevorderd.
De opgelegde boete van f 750,-- werd verminderd naar € 231,-- conform het nieuwere Boetebesluit. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente en proceskosten aan [appellant 1]. Het beroep van [appellante 2] tegen terugvordering werd afgewezen, maar zonder proceskostenveroordeling.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat de boete en terugvordering terecht zijn opgelegd en uitgevoerd.
Uitkomst: De uitkering werd terecht ingetrokken en teruggevorderd, de boete verlaagd naar € 231,-- en gedaagde veroordeeld tot rente- en proceskostenvergoeding.