ECLI:NL:CRVB:2003:AK0056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstandsuitkering wegens onjuiste vermogensvaststelling
Appellant vroeg op 15 januari 1999 een bijstandsuitkering aan. Gedaagde wees dit af omdat appellant over vermogen beschikte dat hoger was dan de vrij te laten grens van f 9.850,--. Appellant had een banksaldo en aandelen, maar ook een schuld van f 11.000,-- aan zijn ouders. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de aflossingsplicht onvoldoende was aangetoond.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat de schuld wel degelijk bestond en dat deze in mindering gebracht moest worden op het vermogen. Appellant had dit tijdig gemeld en bewijs geleverd met bankafschriften en een schriftelijke leningsovereenkomst. Hierdoor was het vermogen lager dan de vermogensgrens.
De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de bijstandsuitkering wordt vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit te nemen waarbij de schuld in mindering wordt gebracht op het vermogen.