ECLI:NL:CRVB:2003:AI6111
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering voorschotten bij buiten behandeling stellen bijstandsaanvraag
Appellant diende op 3 maart 1999 een aanvraag in voor algemene bijstand bij het College van burgemeester en wethouders van Almere. Deze aanvraag werd op 8 juni 1999 buiten behandeling gesteld omdat de door appellant verstrekte gegevens onvolledig waren. Ondanks de buiten behandeling stelling had appellant eerder op 16 en 25 maart 1999 voorschotten ontvangen.
Het college vorderde vervolgens deze voorschotten terug op grond van artikel 80 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw), omdat na onderzoek bleek dat appellant geen recht op bijstand had. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad overwoog dat het besluit om de aanvraag niet te behandelen gelijkgesteld kan worden aan een afwijzing, waardoor terugvordering van de voorschotten gerechtvaardigd is. Tevens oordeelde de Raad dat appellant redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat de later uitgekeerde bedragen onverschuldigd waren betaald. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Verder werd vastgesteld dat appellant niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens had aangeleverd en ook geen uitstel had gevraagd, waardoor het college terecht de aanvraag buiten behandeling stelde. De Raad legde geen proceskostenveroordeling op.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het buiten behandeling stellen van de bijstandsaanvraag en de terugvordering van de verstrekte voorschotten.