ECLI:NL:CRVB:2003:AI1280

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 juli 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/3624 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:14 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling opschorting plaatsingsprocedure arbeidsongeschikte gemeenteambtenaar

Appellant, een arbeidsongeschikte gemeenteambtenaar van de gemeente Dordrecht, was sinds september 1996 niet meer werkzaam vanwege ziekte. In het kader van een reorganisatie werd zijn functie als veranderfunctie aangemerkt, waardoor een passende functie gezocht moest worden. Appellant verzocht om opschorting van de plaatsingsprocedure omdat hij zich door zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat achtte adequaat te reageren.

Het College van burgemeester en wethouders besloot op 7 mei 1997 de plaatsingsprocedure op te schorten totdat appellant medisch voldoende hersteld zou zijn. Appellant was het hiermee niet eens en stelde dat hij nog steeds zijn oude functie bekleedde, waardoor de mededeling dat hij nog niet geplaatst was onjuist was. Het bezwaar werd door het College afgewezen.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. In hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat er wel degelijk een geschil bestond over het besluit, waardoor de rechtbank ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep ongegrond en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.

De Raad stelde vast dat de opschorting van de plaatsingsprocedure niet neerkomt op ontheffing van de functie en dat het besluit van 7 mei 1997 niet bedoeld was om de aanstelling van appellant te wijzigen. De hoorprocedure in bezwaar was correct verlopen, ook al was appellant niet aanwezig bij de hoorzitting. De Raad vond geen grond voor toepassing van schadevergoeding of andere maatregelen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot opschorting van de plaatsingsprocedure blijft in stand.

Uitspraak

01/3624 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op bij beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 23 mei 2001, nr. AWB 97/1007, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 19 juni 2003, waar appellant in persoon is verschenen, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. M.N. Grootfaam, advocaat te 's-Gravenhage.
II. MOTIVERING
1. De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam als [naam functie] in dienst van de gemeente Dordrecht. Vanaf september 1996 heeft hij wegens arbeidsongeschiktheid niet meer gewerkt. In het kader van de reorganisatie van de dienst openbare voorzieningen is de functie van [naam functie] aangemerkt als een zogeheten veranderfunctie, waardoor voor appellant een passende functie diende te worden gezocht. Nadat appellant opgave had gedaan van door hem gewenste functies en daarop van de zijde van gedaagde was gereageerd, is namens appellant verzocht om de plaatsingsprocedure op te schorten, omdat hij zich in verband met zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat achtte om adequaat op de voorstellen te reageren.
1.2. Bij besluit van 7 mei 1997 heeft gedaagde aan appellant bericht dat hij nog niet geplaatst is in de nieuwe organisatie en dat is besloten de plaatsingsprocedure op te schorten tot het moment dat hij medisch gezien in voldoende mate hersteld is. Appellant was van mening dat daarmee niet overeenkomstig zijn verzoek was beslist. Volgens hem was hij, ondanks zijn ziekte, nog steeds [naam functie], zodat de zin "Hierbij delen wij u mede dat u nog niet geplaatst bent in de nieuwe organisatie" ten onrechte in bedoeld besluit was opgenomen. Bij beslissing op bezwaar van 22 september 1997 heeft gedaagde het eerder genomen besluit van 7 mei 1997 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, met bepaling dat het door appellant betaalde griffierecht aan hem wordt vergoed. De rechtbank heeft daartoe overwogen, kort gezegd, dat niet in geschil was dat appellants aanstelling als [naam functie] als gevolg van dat besluit gehandhaafd bleef. Nu volgens de rechtbank geen sprake was van een tussen partijen bestaand geschil, had gedaagde appellants bezwaren niet-ontvankelijk dienen te verklaren.
3. In hoger beroep heeft appellant allereerst grieven geuit over het voegen door de rechtbank van het beroep in deze zaak met twee beroepen van hem in andere zaken. De Raad kan deze grieven niet onderschrijven. De gedingstukken laten zien dat de rechtbank de drie beroepen van appellant op dezelfde datum en hetzelfde tijdstip had geagendeerd. Ter zitting is meegedeeld dat de zaken gevoegd zouden worden behandeld. Nu alle drie de beroepen betrekking hadden op aangelegenheden uit appellants dienstverband bij de gemeente Dordrecht en aan elkaar verwante onderwerpen betroffen, gaf artikel 8:14, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank de bevoegdheid ter zitting tot voeging over te gaan. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat de rechtbank een onjuist gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid.
4. Anders dan appellant is de Raad voorts van oordeel dat de hoorprocedure in bezwaar naar behoren is verlopen. Appellant had meegedeeld dat hij de door de bezwaren-commissie te houden hoorzitting niet zou bijwonen en had daarbij niet gevraagd om uitstel. Daarvan uitgaande was de bezwarencommissie gerechtigd de hoorzitting buiten aanwezigheid van appellant doorgang te laten vinden en tijdens die hoorzitting appellants chef en de personeelsadviseur te horen.
5.1. Appellant handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat de door hem in bezwaar gewraakte zin ten onrechte in het besluit van 7 mei 1997 is opgenomen, omdat zijn functie, anders dan bedoelde zin suggereert, toentertijd immers nog steeds die van [naam functie] was. Gelet hierop is de Raad, anders dan de rechtbank, van oordeel dat ten aanzien van het besluit van
7 mei 1997 wel gesproken moet worden van een tussen appellant en gedaagde bestaand geschil, zodat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant niet-ontvankelijk diende te worden verklaard in zijn bezwaren. De Raad zal om die reden de aangevallen uitspraak vernietigen.
5.2. De Raad overweegt voorts dat appellant in de bedoelde zin kennelijk een van het opschorten van de plaatsings- procedure losstaand besluit leest, te weten het besluit om appellant te ontheffen van de functie van [naam functie]. Uit de stukken blijkt evenwel, en ter zitting van de Raad is namens gedaagde desgevraagd bevestigd, dat zodanige ontheffing (nog) niet aan de orde was. Aan appellant was de functie van [naam functie] (oude stijl) opgedragen en met het besluit van 7 mei 1997 is niet beoogd daarin verandering te brengen, zodat de bezwaren van appellant in dit opzicht geen doel troffen. In aanmerking genomen dat met het besluit van 7 mei 1997 verder geheel tegemoet is gekomen aan het door appellant gedane verzoek om de plaatsingsprocedure op te schorten, komt de Raad tot de conclusie dat gedaagde de door appellant tegen dat besluit ingediende bezwaren terecht ongegrond heeft verklaard. Hieruit volgt dat het inleidend beroep alsnog ongegrond moet worden verklaard. Voor het toekennen van schadevergoeding met toepassing van artikel 8:73 van Pro de Awb bestaat derhalve geen grondslag.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb. Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Bepaalt dat de gemeente Dordrecht aan appellant het door hem in deze zaak in hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 154,29 (voorheen f 340,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. J.C.F. Talman als voorzitter en mr. G.J.H. Doornewaard en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van mr. L.N. Nijhuis als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2003.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) L.N. Nijhuis.