ECLI:NL:CRVB:2003:AI1101
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Recht op ziekengeld bij onrechtmatig verblijf vóór inwerkingtreding Koppelingswet
Appellant, een Turkse vreemdeling die sinds 1989 in Nederland verblijft, was verzekerd ingevolge de Ziektewet (ZW) toen hij in februari 1998 arbeidsongeschikt werd. Zijn verblijfsvergunning werd in juli 1997 ingetrokken, maar tot 1 juli 1998 stond het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning niet aan verzekering in de weg.
Na de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 werd appellant niet langer als werknemer verzekerd omdat hij niet rechtmatig verbleef. Gedaagde weigerde daarom ziekengeld toe te kennen vanaf oktober 1998. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelt anders.
De Raad stelt dat het recht op ziekengeld dat vóór de Koppelingswet is ontstaan, niet opnieuw kan worden getoetst aan de eis van verzekering bij feitelijke uitkeringsaanvraag. Het vertrouwensbeginsel en de parlementaire geschiedenis van de Koppelingswet ondersteunen dat het recht op ziekengeld niet mag worden ontnomen vanwege het ontbreken van een verblijfsstatus na 1 juli 1998.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit moet nemen waarbij het recht op ziekengeld wordt erkend met opschorting van uitbetaling zolang het verblijf onrechtmatig is. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld dat vóór de Koppelingswet is ontstaan, mag niet worden ingetrokken vanwege het ontbreken van een verblijfsvergunning na 1 juli 1998.