ECLI:NL:CRVB:2003:AI0659
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fictieve opzegtermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst in WW-uitkering
In deze zaak staat de toepassing van de fictieve opzegtermijn volgens artikel 16, derde lid, van de Werkloosheidswet centraal, in samenhang met artikel 7:672 BW Pro, na invoering van de Wet Flexibiliteit en zekerheid. Gedaagde was in dienst bij een werkgever en de arbeidsovereenkomst werd ontbonden door de kantonrechter op verzoek van de werkgever met inachtneming van een opzegtermijn van een maand.
De rechtbank had het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vernietigd omdat zij oordeelde dat de fictieve opzegtermijn niet van toepassing was, omdat partijen rekening hadden gehouden met een opzegtermijn bij de ontbinding. De Centrale Raad van Beroep stelt echter dat de arbeidsovereenkomst niet door opzegging maar door ontbinding is geëindigd en dat de wetgever hiermee rekening heeft gehouden door de fictieve opzegtermijn te laten beginnen de dag na de ontbindingsbeschikking.
De Raad concludeert dat de lengte van de fictieve opzegtermijn door appellant correct is vastgesteld en vernietigt het vonnis van de rechtbank. Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard, waarmee bevestigd wordt dat de WW-uitkering pas ingaat na afloop van de fictieve opzegtermijn die start na de ontbindingsbeschikking.
Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.