ECLI:NL:CRVB:2003:AI0632
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Betwisting over overname betalingsverplichting werkgever bij faillissement onder Werkloosheidswet
Appellant, een vrachtwagenchauffeur die sinds 1991 bij zijn werkgever in dienst was, vordert dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) de betalingsverplichting van zijn failliete werkgever overneemt, waaronder niet genoten vakantiedagen en pensioenvoorzieningen. Na het faillissement van de werkgever in 1996 heeft appellant een verzoek ingediend op grond van Hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (WW).
Het UWV heeft de vordering met betrekking tot de pensioenregeling afgewezen omdat appellant niet tijdig en gericht actie zou hebben ondernomen tegen de werkgever. De rechtbank bevestigde deze afwijzing. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat deze strikte eis van voortvarendheid geen wettelijke grondslag heeft en dat het UWV onterecht heeft geweigerd de betalingsverplichting over te nemen.
De Raad benadrukt dat Hoofdstuk IV WW bedoeld is om werknemers te beschermen tegen niet nagekomen pensioenverplichtingen door werkgevers in betalingsonmacht, maar niet om verplichtingen over te nemen die ook zonder betalingsonmacht onvervuld zouden zijn gebleven. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuw besluit en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen over de overname van de betalingsverplichting.