ECLI:NL:CRVB:2003:AI0615
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep weduwe na verwerping nalatenschap tegen terugvordering uitkering
De zaak betreft een terugvordering van onverschuldigd betaalde uitkeringen aan de nalatenschap van een overledene, waarbij de weduwe als erfgenaam is betrokken. De Raad van bestuur van het UWV had een bedrag teruggevorderd van de nagelaten betrekkingen, in dit geval de weduwe. Deze maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de weduwe de nalatenschap inmiddels had verworpen, waardoor zij geen procesbelang meer zou hebben. De weduwe stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk belang had bij een uitspraak over de gegrondheid van het beroep, omdat het UWV vasthield aan de terugvordering en de verwerping van de nalatenschap nog niet was bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het belang van de weduwe uitsluitend voortkomt uit haar hoedanigheid als erfgenaam. Omdat zij de nalatenschap heeft verworpen, wordt zij geacht nooit erfgenaam te zijn geweest en ontbreekt het procesbelang. De Raad bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep door de rechtbank.
Uitkomst: Het beroep van de weduwe wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang na verwerping van de nalatenschap.