ECLI:NL:CRVB:2003:AH8611
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Toepassing en uitleg van artikel 67 van de Algemene nabestaandenwet bij beëindiging gezamenlijke huishouding door overlijden
De zaak betreft een geschil over de toepassing van artikel 67 van Pro de Algemene nabestaandenwet (Anw) op de nabestaandenuitkering van gedaagde na het overlijden van haar partner. Gedaagde ontving een nabestaandenuitkering die met ingang van 1 februari 1998 werd gewijzigd en waarbij haar arbeidsongeschiktheidsuitkering volledig in mindering werd gebracht. De Sociale verzekeringsbank had het onverschuldigd betaalde bedrag teruggevorderd. De rechtbank had de beroepen van gedaagde gegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak.
De Raad stelt vast dat het overgangsregime van artikel 67 Anw Pro uitsluitend geldt tot het moment dat een nieuw recht op nabestaandenuitkering ontstaat. Omdat het overlijden van de partner na 1 januari 1998 plaatsvond, ontstond voor gedaagde een nieuw recht op nabestaandenuitkering, waardoor de verhoging van de uitkering op grond van het overgangsrecht niet van toepassing is. Het onderscheid tussen beëindiging van de gezamenlijke huishouding door overlijden en door andere oorzaken is gebaseerd op redelijke en objectieve gronden.
Gedaagde voerde ook aan dat de regeling in strijd is met internationale verdragen omdat de minimumuitkering niet wordt verstrekt en haar arbeidsongeschiktheidsuitkering volledig in mindering wordt gebracht. De Raad oordeelt dat de genoemde internationale normen een instructiekarakter hebben en niet leiden tot een afdwingbaar recht op een concrete prestatie voor de burger.
De Raad vernietigt de bestreden uitspraak en verklaart de beroepen van gedaagde ongegrond. Tevens wijst de Raad een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het bestreden vonnis en verklaart het beroep van gedaagde ongegrond.