ECLI:NL:CRVB:2003:AF8641
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- A.B.J. van der Ham
- Rechtspraak.nl
Bevestiging fictieve dienstbetrekking voor interimmanager in socialezekerheidsrecht
Appellante, een onderneming, stelde dat de werkzaamheden van de interimmanager [betrokkene] onder een overeenkomst van opdracht vielen en geen dienstbetrekking vormden. De Raad van bestuur van het UWV had echter vastgesteld dat sprake was van een fictieve dienstbetrekking, waardoor verzekeringsplicht bestond op grond van artikel 5, aanhef en onder d, van de Ziektewet, de Werkloosheidswet en de WAO juncto artikel 3 van Pro het Koninklijk Besluit.
De rechtbank Amsterdam had het beroep van appellante ongegrond verklaard, stellende dat de werkzaamheden persoonlijk door [betrokkene] waren verricht en dat de aard van de werkzaamheden en wijze van betaling wezen op een dienstbetrekking. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat het zelfstandig ondernemerschap van [betrokkene] in de periode tot medio 1998 niet aan toepassing van artikel 3 van Pro het KB in de weg staat.
Appellante voerde aan dat de wijziging van de Regeling per 1 september 1998 en reflexwerking daarvan in dit geval van toepassing zouden moeten zijn, maar de Raad vond hiervoor geen grond. De Raad concludeert dat de fictieve dienstbetrekking correct is vastgesteld en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De Raad acht geen reden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en bevestigt het bestreden besluit van het UWV.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de arbeidsverhouding een fictieve dienstbetrekking is en dat verzekeringsplicht bestaat.