ECLI:NL:CRVB:2003:AF4011
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid na ontslag op staande voet binnen familiebedrijf
Gedaagde was werkzaam in het klussenbedrijf van zijn vader en werd op 29 januari 1999 op staande voet ontslagen na een conflict en weigering om een opdracht uit te voeren. Het UWV weigerde een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank oordeelde dat gedaagde niet verzekerd was op grond van de WW vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding, en vernietigde het besluit van het UWV.
De Centrale Raad van Beroep stelde vast dat de rechtbank buiten de grenzen van het geschil was getreden door het verzekeringsvraagstuk te behandelen, terwijl dit niet aan de orde was gesteld. De Raad oordeelde dat gedaagde zich bewust had moeten zijn van de gevolgen van zijn gedrag, omdat hij na eerdere diefstal in dienst was gehouden en dat zijn weigering om te werken terecht als verwijtbaar werd aangemerkt.
De Raad verwierp het beroep van het UWV niet en handhaafde de maatregel van blijvende gehele weigering van de uitkering. Tevens werd geoordeeld dat de 'schop onder zijn kont' door de vader-werkgever in deze familiale context niet rechtvaardigde dat gedaagde het werk weigerde te hervatten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en de maatregel van blijvende gehele weigering van de WW-uitkering wordt gehandhaafd.