ECLI:NL:CRVB:2002:BJ3081
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T. Hoogenboom
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag stadsreiniger wegens plichtsverzuim bij geld vragen voor ophalen grof vuil
Appellant, een stadsreiniger in vaste dienst bij het Stadsdeel Oud-West van Amsterdam, werd ontslagen wegens plichtsverzuim nadat hij geld had gevraagd voor het ophalen van grof vuil bij het bedrijf Europcar. Ondanks een verbod om contact op te nemen met Europcar, nam appellant toch contact op met het bedrijf.
Het ontslag werd verleend op grond van artikelen 1001 en 1003 van het Ambtenarenreglement van de gemeente Amsterdam (ARA), waarbij ontslag als straf kan worden opgelegd bij plichtsverzuim. Appellant betwistte het plichtsverzuim en de proportionaliteit van de sanctie, en voerde aan dat het ontslag een strafvervolging betrof waarbij strafrechtelijke waarborgen moesten gelden.
De Raad oordeelde dat het ontslagbesluit berust op een deugdelijke feitelijke grondslag, gebaseerd op verklaringen van drie medewerkers van Europcar en een collega van appellant. De Raad verwierp het beroep op strafrechtelijke waarborgen, aangezien het hier ging om een tuchtrechtelijke maatregel binnen de arbeidsrelatie. Het gedrag van appellant werd als ernstig plichtsverzuim beoordeeld, waarbij het aanzien van de dienst was geschaad en ontslag gerechtvaardigd was.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en handhaafde het ontslag zonder uitkering. Er werden geen gronden gevonden om het onderzoek te heropenen of getuigen te horen. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam werd daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wegens plichtsverzuim wordt bevestigd zonder toekenning van uitkering.