ECLI:NL:CRVB:2002:AF5511
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing weigering WW-uitkering wegens niet-aanvaarden passende arbeid
Appellante ontving een WW-uitkering gebaseerd op een verlies van arbeidsuren. Het UWV weigerde de uitkering met ingang van 15 januari 1997 blijvend geheel omdat zij passende arbeid bij een bloemenveiling had geweigerd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV niet in strijd met rechtszekerheid had gehandeld door het besluit pas een jaar na de weigering te nemen.
In hoger beroep voerde appellante onder meer schending van het vertrouwensbeginsel aan, omdat het UWV verwachtingen had gewekt die niet werden gehonoreerd en dat sociale omstandigheden haar verhinderden het werk te aanvaarden. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het werk niet passend was en dat zij de verplichting tot aanvaarden van passende arbeid had geschonden.
De Raad stelde echter vast dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld door de maatregel pas bijna een jaar na de vermeende overtreding op te leggen, waardoor appellante onterecht een tijdlang uitkering ontving en verkeerde verwachtingen werden gewekt. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot blijvende weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd wegens onzorgvuldige besluitvorming door het UWV.