ECLI:NL:CRVB:2002:AF4518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Th.M. Schelfhout
- H.G. Rottier
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep bevestigt afwijzing WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en een gedaagde die een WW-uitkering had aangevraagd na ontslag. De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van de Werkloosheidswet zoals die gold ten tijde van het geschil. Gedaagde was sinds 1 april 1996 niet meer werkzaam wegens ontslag en had vanaf 27 januari 1998 een WW-uitkering aangevraagd. Het Uwv wees deze af omdat gedaagde niet aan de referte-eis voldeed, namelijk het verrichten van arbeid in ten minste 26 van de 39 weken voorafgaand aan werkloosheid.
Gedaagde stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was sinds 1 april 1996 en dat de referteperiode daarom verlengd moest worden volgens artikel 17a van de WW. De Raad oordeelde echter dat onvoldoende bewijs was geleverd dat gedaagde sinds die datum volledig arbeidsongeschikt was. Dit werd onderbouwd door medische rapporten waaruit bleek dat gedaagde niet volledig arbeidsongeschikt was en dat gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid zonder arbeid niet tot verlenging van de referteperiode leidt.
Verder stelde de Raad vast dat gedaagde per 1 april 1996 niet werkloos was geworden omdat zij niet beschikbaar was voor arbeid. Hierdoor kon ook geen herleving van WW-rechten plaatsvinden. De Raad vernietigde het eerdere vonnis dat het besluit van het Uwv vernietigde en verklaarde het beroep ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van gedaagde wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldeed aan de referte-eis en geen recht had op voorverlenging van de referteperiode wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.